Verhalen
‘De zee geeft.’ Dat zei vader altijd. ‘De zee zorgt dat wij kunnen leven.’ Dat zei hij als hij in de vroege morgen met zijn boot de zee op ging om te vissen. En ze leefden er goed van. Rijk waren ze niet, maar ze hadden een leuk huisje aan de rand van het strand. Vader had het zelf gebouwd van takken en leem. Het dak was gemaakt van grote palmbladeren. Daar leefden ze: Vineta, Anita en Poorna met hun ouders en hun kleine broertje. Als ze niet naar school gingen, speelden ze op het strand. Daar wachtten ze op vader, tot hij met zijn boot terugkwam, de netten vol met vis. Zingend en zwaaiend trok hij de boot op het strand.
‘De zee was weer goed voor ons,’ zei hij dan. 
Moeder maakte de vis klaar, terwijl vader de rest van de vis in het dorp verkocht. Aan tafel zei vader altijd: ‘Geniet van dit eten. Wees er dankbaar voor. De zee heeft het ons gegeven.’ 
De zee was hun vriend. Vineta, Anita en Poorna liepen graag ’s avonds laat over het strand met hun voeten door het water. Ze keken naar de zon die langzaam onderging en zo’n prachtige gloed verspreidde. Mooi, rustig, vredig. Ze waren gelukkig. Ze wisten niet beter of dit zou altijd zo blijven.
 
En toen werd het 26 december. Vineta was vroeg wakker, zoals altijd. Dan luisterde ze naar de vogels en het ruisen van het water. Maar gek. Vandaag hoorde ze niets. Verbaasd stond ze op van haar slaapmat en ze ging naar buiten.
‘Kijk nou!’ 
Anita en Poorna waren ook naar buiten gekomen. Ze keken naar het einde van het strand, daar waar de zee begon. Maar vandaag... was er niets.
‘De zee is weg,’ zei Vineta, want zo leek het. Zo ver ze keken, zagen ze zand, maar geen water. Er ruisde niets en er was geen vogel te horen.
‘Wat is er?’ Vader kwam de hut uit.
‘Kijk,’ wees Anita. ‘Gek hè.’ 
Vader keek geschrokken. ‘Dat is niet goed,’ zei hij. ‘Dat is helemaal niet goed. Haal je broertje. Maak je moeder wakker.’ 
De meisjes begrepen niets van de paniek van hun vader. Toen wees hij.
‘Daar!’ 
Vineta hoorde het het eerst. Een gerommel en geraas, heel in de verte. Toen zag ze het. Zoiets had ze nog nooit gezien. Het leek alsof er, ver vanuit de zee, een enorme muur van water naar hen toekwam. Vader gaf de meisjes een duw.
‘Rennen!’ riep hij.
Zelf ging hij het huisje in en hij sleurde moeder en hun broertje naar buiten.
Vineta keek niet om. Ze rende alsof haar leven ervan afhing. Omdát hun leven ervan afhing. Hand in hand renden de drie meisjes het strand af en de bergen in.
 
Ze hebben geluk gehad, Vineta, Anita en Poorna, want ze leven nog. Ook hun vader leeft nog. Maar hun moeder en broertje zijn meegenomen door het water. Voorgoed. 
Unicef heeft de meisjes geholpen en ze ondergebracht in een opvangkamp. Daar spelen ze met de andere kinderen. Ze houden elkaar stevig vast. Vineta kijkt om. Op een steen zit hun vader. Sinds de ramp heeft hij niets meer gezegd. Hij staart met een lege blik voor zich uit. Hij is niet één keer meer de zee opgegaan. Dat kan ook niet, want zijn boot is kapot. Net als hun huis. Net als het dorp. 
 
Hoe het verder moet? Vineta weet het niet. Ze is blij met de hulp van de mensen uit het opvangkamp. Ze krijgt water en eten. Ze heeft een prik gehad. Dat was niet zo leuk, maar een mevrouw zei dat ze anders ziek kon worden. Als ze geen zin heeft in spelen, komt er soms iemand naast haar zitten om met haar te praten. En ze gaat ook weer naar school. In een tent is een school ingericht waar ze een paar uur per dag les krijgen. Er staan kisten met boeken en schriften. Naast lezen, rekenen en schrijven, leren de kinderen hoe ze voor zichzelf moeten zorgen. Dat ze hun handen moeten wassen en geen vuil water mogen drinken en wat ze moeten doen als ze ziek worden. Door de school en het spelen lijkt alles soms weer bijna normaal. Bijna.
 
Vineta weet niet hoe het verder moet. Ze mist haar moeder en haar broertje elke dag. En haar vader mist ze ook. Hij is er, maar toch ook weer niet. Zelfs als ze vlak voor hem gaat staan, lijkt hij haar niet te zien.
Vandaag heeft ze gehoord dat ze waarschijnlijk bij haar oom gaan wonen. 
 
Heel af en toe gaat Vineta met haar zussen terug naar het strand. Naar de plek waar hun huisje stond. Dan kijken ze naar het water van de zee. Zo glad, zo rustig.
‘De zee geeft.’ Dat zei vader altijd.
Maar nu heeft de zee alles teruggenomen.

© Marian van Gog
Uit het lespakket 'Kinderen eerst - Kinderen en gezondheidszorg' van Unicef, n.a.v. de tsunamiramp in 2004.
www.unicef.nl

Kinderen

Over mij