Verhalen
Er was eens een koning, die een beetje dom was. Gelukkig had hij slimme lakeien die alles voor hem deden en hem hielpen om het land te regeren.
 
Het was zomer en de zon scheen. De koning liep door de paleistuin. Opeens zag hij een plat zwart... eh... ding op de grond dat hem overal volgde. Het leek wel alsof het aan hem vastgeplakt zat. Hij vond het raar en ook een beetje eng. Dus riep hij zijn lakei. ‘Lakei, ik word achtervolgd!’
De lakei schrok, maar toen zag hij wat de koning bedoelde. 
‘Sire, dat is uw scháduw.’
‘Mijn wàt?’ vroeg de koning.
‘Uw schaduw. Die volgt u overal. Dat hoort. Iederéén heeft een schaduw. Ik ook. Kijk maar.’
De lakei wees naar de grond, naar zijn eigen schaduw. 
‘Een schaduw is leuk. Hij doet en kan van alles, zoals zwaaien...’ De lakei zwaaide even met zijn hand. De schaduw zwaaide mee. 
‘... en springen...’ De lakei maakte een sprongetje in de lucht. De schaduw maakte precies dezelfde beweging. ‘U kunt met uw schaduw spelen.’
De koning begon nu ook te zwaaien en te springen. De schaduw volgde elke beweging. 
De lakei hield wel van een grapje en daarom zei hij: ‘Uw schaduw kan nog meer. Hij kan bijvoorbeeld met u ballen.’
De lakei liet de bal op de grond vallen, op zijn eigen schaduw. De bal stuiterde omhoog en het leek net alsof de schaduw hem teruggooide. De lakei ving de bal weer op en gaf hem aan de koning. Die was verbijsterd. Hij pakte de bal aan en begon ook te stuiteren.
‘Wat leuk,’ zei hij. ‘Mijn schaduw gooit hem inderdaad steeds weer terug.’
De hele morgen speelde de koning met zijn schaduw. Tot het tijd werd voor de middagboterham. 
 
Omdat het zulk mooi weer was, had de lakei de tafel buiten gedekt. De koning ging zitten. 
‘Waarom staat er geen stoel voor mijn vriend, de schaduw?’ vroeg hij. 
De lakei keek de koning aan. Méénde hij dat nou? En ja, de koning meende het. Dus haalde de lakei een stoel. Hij zette hem zo neer dat de schaduw van de koning erop viel en het leek net alsof de schaduw op de stoel zat.
‘Waarom staat er geen bord voor mijn schaduw?’ vroeg de koning. 
En dus zette de lakei nog een bord op tafel. HIj legde er een boterham op, maar de schaduw nam natuurlijk geen hap.
‘Waarom eet mijn schaduw niet?’ vroeg de koning.
De lakei keek naar de lege stoel en vroeg: ‘Meneer de schaduw, waarom eet u niet?’
Maar de schaduw zei natuurlijk niks. 
Omdat het niet beleefd was om een koning geen antwoord te geven, boog de lakei zich voorover tot vlak bij de stoel en luisterde aandachtig.
‘Uw schaduw heeft maar een heel zachte stem, sire,’ legde hij uit. ‘Maar hij laat u weten dat hij geen trek heeft.’ 
‘Misschien wil mijn schaduw iets drinken?’ vroeg de koning.
Weer boog de lakei voorover.
‘Uw schaduw heeft ook geen dorst,’ zei hij.
De koning at en dronk en keek naar zijn schaduw, die al zijn bewegingen volgde, maar niet wilde eten of drinken. 
Die middag speelde de koning weer met zijn schaduw, tot het donker werd. Toen verdween de schaduw.
‘Lakei,’ riep de koning geschrokken. ‘Mijn schaduw is weggegaan. Zonder mij gedag te zeggen.’
‘U heeft het vast niet gehoord,’ zei de lakei. ‘Hij heeft een heel zachte stem, weet u nog? Maar morgen komt hij vast weer met u spelen.’
 
De volgende morgen stond de koning al heel vroeg op en hij ging naar buiten. Maar het was bewolkt en er was dus geen zon. Daarom was er ook geen schaduw. De koning snapte dat niet en hij werd boos.
‘Mijn schaduw heeft mij in de steek gelaten,’ riep hij. ‘Hij komt niet spelen. Zoek hem voor mij op en breng hem hier.’ 
De lakei schudde zijn hoofd over zoveel domheid. Maar hij bleef beleefd en zei: 
‘Ach sire, wat dom van me. Dat ben ik vergeten te zeggen. Toen ik gistermiddag aan tafel met uw schaduw sprak, zei hij dat hij alleen mocht komen spelen als de zon scheen. Anders zou hij misschien verkouden worden. Hij is zo iel en plat...’
De koning knikte begrijpend. Maar leuk vond hij het niet en daarom zei hij: ‘Het is inderdaad heel dom van je dat je dat niet gezegd hebt. Nou ben ik voor niets zo vroeg opgestaan...’   
 
Op dat moment begon de zon te schijnen. De koning keek op naar de zon en riep: ‘Nu kan mijn schaduw komen spelen!’ Hij keek vóór zich op de grond, maar er was geen schaduw te zien.
De lakei zuchtte diep en zei: ‘Achter u, sire.’ 
De koning draaide zich om en jawel, daar was zijn schaduw. Blij huppelde hij met zijn schaduw door de paleistuin, terwijl hij over zijn schouder naar de lakei riep:
‘Vergeet je straks geen stoel voor mijn vriend, de schaduw, neer te zetten?’ 
 
En de lakei zuchtte nog maar eens, héél diep...
 
© Marian van Gog
Uit 'Verhaaltjes en liedjes met soundmix', Benny Vreden Kinderproducties b.v.
www.bennyvreden.nl

Kinderen

Over mij