Verhalen
Heel lang geleden leefde er een koning die dol was op eieren.
Elke ochtend ontbeet hij met wel drie gekookte eieren! 
Elke middag at hij brood met wel vier gebakken eieren. 
Elke avond at hij een omelet van wel vijf geklutste eieren!
Elke dag at de koning dus - tel even mee - wel 3 + 4 + 5 = 12 eieren! 
De kok had een koksmaatje dat elke dag eieren haalde. Hij heette Bob, maar werd al gauw: eier-Bob genoemd.
Eier-Bob ging elke dag al vroeg op pad. Dan liep hij naar de boerderij van zijn tante Sara, die vlak bij het paleis lag. Zij had wel twintig kippen. Van haar kreeg hij elke dag twaalf eieren mee. Totdat...
 
Op een ochtend stond de koning in de deuropening toen eier-Bob de oprijlaan op kwam lopen, met een mand aan zijn arm.
‘Wie ben jij?’ vroeg de koning. ‘En wat doe je?’ 
‘Ik ben Bob, sire,’ zei eier-Bob. ‘En ik haal elke dag eieren voor u.’
‘Maar dat is toch helemaal niet nodig,’ zei de koning. ‘We nemen zélf kippen. Dan hoeven we de verse eieren alleen maar op te rapen.’
‘Goed idee, sire,’ zei Bob. ‘‘Zal ik voor kippen zorgen?’
‘Graag,’ zei de koning. ‘Neem er maar twee.’
‘Twee kippen?’ vroeg eier-Bob. ‘Maar u eet elke dag twaalf eieren!’
‘Nou én?’ vroeg de koning. 
‘Een kip legt maar één ei per dag,’ legde Bob uit. ‘Dus als u twaalf eieren wilt eten, heeft u twaalf kippen nodig.’
‘Nee zeg,’ zei de koning. ‘Twaalf kippen kákelen ook voor twaalf. Dat maakt veel te veel lawaai. Twee kippen is genoeg. Haal dus twee kippen en zorg dat ze twaalf eieren leggen!’ 
Bob maakte een buiging, want de koning mocht je natuurlijk niet tegenspreken. Daarna ging hij naar tante Sara en jammerend vertelde hij haar het verhaal. 
Tante Sara begon te  lachen en zei: ‘Neem twee kippen mee. Die leggen twee eieren. Kom elke dag dan nog tien eieren halen. De koning komt nooit in de paleiskeuken, dus dat merkt hij niet.’
Bob nam twee kippen van tante Sara mee. Op het paleis timmerde hij een hok voor de kippen. De volgende morgen lagen er twee eieren in het hok. Snel haalde Bob nog tien eieren bij tante Sara.
‘En,’ vroeg de koning aan het ontbijt. ‘Hoeveel eieren hebben de kippen gelegd?’
‘Twaalf, sire,’ jokte Bob.
‘Zie je wel,’ zei de koning. ‘Ik zei toch dat twee kippen best twaalf eieren kunnen leggen.’ 
‘Natuurlijk, sire,’ zei Bob. ‘U heeft helemaal gelijk.’ 
En iedereen was tevreden. Totdat...
 
Op een avond zei de koning: ‘Hoe gaat dat eieren rapen eigenlijk?’
‘Nou, eh... ik loop het kippenhok in en ik pak de eieren,’ zei Bob.
‘Zou ik dat ook kunnen?’ vroeg de koning.
‘Beter van niet,’ zei Bob snel. Want hij wilde natuurlijk niet dat de koning zou ontdekken dat de kippen maar twee eieren legden. 
‘Waarom niet?’ vroeg de koning.
Bob kreeg het er warm van. Hij kon de waarheid niet zeggen. Maar hij kon ook niet zeggen dat de koning geen eieren kon rapen. Want iederéén kon tenslotte eieren rapen. En daarom zei hij: ‘Omdat... eh... omdat de kippen u niet kénnen.’ 
‘Ha, ha,’ zei de koning. ‘Dat is een goeie. Omdat ze mij niet kénnen. Ha, ha. En morgen wil ik eieren rapen.’ 
 
Wat moest Bob doen? Hij rende naar tante Sara. 
‘De koning wil morgen zelf eieren rapen,’ riep hij buiten adem.
‘Hmmm...’ zei tante Sara. En toen bedacht ze een plan.
 
Bob ging terug naar het paleis. Mét een mand met eieren. Daarmee ging hij het kippenhok binnen. En de volgende dag...
 
De volgende dag ging de koning al vroeg naar het kippenhok. Bob stond hem op te wachten.
‘Zullen we dan maar?’ vroeg de koning.
Bob maakte het hok open. De koning ging naar binnen en zag overal eieren liggen.
‘Zie je wel?’ zei hij. ‘Twee kippen kunnen best twaalf eieren leggen.’
Hij pakt een ei van de grond en... kneep erin. Het ei brak en het eigeel liep over zijn handen.
‘Hè bah...!’ riep de koning. ‘Eieren rapen is toch een stuk moeilijker dan ik dacht.’
‘Zal ik het dan maar doen?’ vroeg Bob.
 
En zo gebeurde het. Bob raapte de eieren. En de koning heeft nooit meer zelf eieren willen rapen.
 
Maar hoe ging het verder? 
De koning vertelde tegen iedereen die het horen wilden, dat twee kippen best twaalf eieren konden leggen. Minstens!
 
En Bob en tante Sara? Die zeiden niets. Tegen niemand. Alleen tegen elkaar zeiden ze af en toe, heel zachtjes: ‘Elke kip legt één ei. En iédéréén kan die eieren rapen. Behalve... eh... onze koning!’

© Marian van Gog
Uit 'Verhaaltjes en liedjes met soundmix', Benny Vreden Kinderproducties b.v.
www.bennyvreden.nl

Kinderen

Over mij